Vaarten Ronde Hoep bestaat uit alle sloten en hoofdwatergangen in de polder Ronde Hoep. In het centrum van de polder ligt een natuurreservaat, dat met name belangrijk is voor weidevogels. De polder is ontstaan door ontwatering van het veen tussen de riviertjes de Amstel en de Waver. De bodem is in 800 jaar tijd flink gedaald en ligt nu tussen de 2 en 3 meter onder NAP. Toch ligt de polder nog relatief hoog vergeleken met de omliggende polders. Door de hoge ligging treedt wegzijging op van oppervlaktewater en grondwater vanuit de Ronde Hoep naar de lager gelegen gebieden. De Ronde Hoep vormt daardoor grotendeels een infiltratiegebied. Het reservaat kent een flexibel peilbeheer.
Vaarten Ronde Hoep (NL11_2_5) heeft watertype “gebufferde laagveensloten” (M8) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 85 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2400-EAG-1 (Polder de Rondehoep, bemalen gebied), 2400-EAG-2 (Polder de Rondehoep, zuid-west), 2400-EAG-3 (Polder de Rondehoep, noord-west), 2400-EAG-4 (Polder de Rondehoep, noord-oost), 2400-EAG-5 (Polder de Rondehoep, weidevogel gebied)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Ouder-Amstel. Het waterlichaam Vaarten Ronde Hoep heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van Landschap Noord-Holland en particulieren.
De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor veensloten (M8), met scores voor macrofauna, waterflora en vis in het groen. De terrestrische doelen in het reservaat zijn met name gericht op weidevogels.
De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Vaarten Ronde Hoep (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Abundantie groeivormen macrofyten. De slechts scorende indicator van deze deelmaatlat is Bedekking som submerse planten en draadalgen. Zowel algen (> 750ug/l) als vegetatie duiden op een voedselrijk systeem. Er zijn geen duidelijke trends waar te nemen in de ontwikkeling van ecologische kwaliteit. De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.05 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een positieve trend (0.24 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een positieve trend (0.11 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstof- en fosforconcentraties en pH nemen af (vooruitgang) in de polder, maar chloride neemt toe (achteruitgang).
Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze onvoldoende kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. Bovendien zijn veel sloten in het gebied zijn ondiep met een sliblaag. Nieuwe aanwas van bagger door algen, oeverafkalving en veenafbraak in omliggende percelen belemmeren mogelijk het herstel van de ecologische kwaliteit. Opwerveling door kreeften zorgt er mogelijk ook voor dat vegetatie zich niet of moeilijk kan vestigen. De fosforbelasting bestaat voor een groot deel uit water dat wordt ingelaten door overstorten en aflaten van hoogwatervoorzieningen. Dit water is niet nodig om het water in de polder op peil te houden.
Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op het reduceren van waterinlaat, het afkoppelen van het stedelijk gebied, op het verdiepen van watergangen en op agrarische pakketten om uitspoeling van voedingsstoffen uit de percelen te reduceren.
Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.
|
|
Productiviteit water vormt een probleem. Lokaal zijn er te veel algen, te veel kroos en flab. De vegetatie duidt op voedselrijke omstandigheden, met name op een hoge fosforbelasting. Belangrijke bronnen van fosfor zijn de percelen, het stedelijk gebied Benningh en particuliere inlaat (de inlaat is in EAG3 orde gelijk aan de perceelsbelasting). |
|
|
Lichtklimaat vormt lokaal een probleem. Met name waar water dieper is, is het lichtklimaat beperkt door algen en/of flab/kroos. Opgewerveld en bezinkend slib kan de vegetatie bedekken. |
|
|
Productiviteit bodem vormt lokaal een probleem. Op veel plaatsen is bagger aanwezig. Aangenomen kan worden dat de samenstelling niet gunstig is voor de aanwezigheid en/of de samenstelling van waterplanten. |
|
|
Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Op veel plaatsen is het water zo ondiep dat er geen planten verwacht worden of zal de bedekking beperkt zijn. Het oevertalud is ook te steil op 6 van de 23 waarnemingen. |
|
|
Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen. |
|
|
Verwijdering vormt een probleem. Plaatselijk is er te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud en/of begrazing door vee en/of vraat door kreeften en ganzen. |
|
|
Organische belasting vormt geen probleem in het waterlichaam zelf. In het stedelijk gebied dat afwatert via de polder kunnen bladval en overstorten wel een probleem zijn. |
|
|
Toxiciteit vormt geen probleem. Er zijn geen aanwijzingen voor een probleem met de toxische druk van het water. |
Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en .
| ESFoordeel | SGBPPeriode | Naam | Toelichting | BeoogdInitiatiefnemer | UitvoeringIn |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
SGBP3 2021-2027 | Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat veel watergangen eigendom zijn van agrariërs en grenzen aan agrarische percelen. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP3 2021-2027 | Maatregelen in de landbouw om oeverafkalving tegen te gaan | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer. Bijvoorbeeld door bufferzones en slootranden met diepwortelende vegetatie; er is overlap met pakketten ten behoeve van nutriëntenreductie. Deze maatregel heeft ook invloed op productiviteit bodem (ESF3) en habitatgeschiktheid (ESF4). | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Afkoppelen Benningh (stedelijk gebied) | Water uit stedelijk gebied ten noorden van de A9 is voedselrijk water en voert nu af via het agrarisch gebied ten zuiden van de A9. Zowel de slechte kwaliteit van dit water als de hoeveelheid doorvoerwater resulteren in een hoge fosforbelasting van de polder. Het aanleggen van een gemaal dat direct op de boezem loost, voorkomt dit. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Verminderen inlaat vanuit hoogwatervoorzieningen | Deze maatregel is onderdeel van Lekke polders. Er wordt via hoogwatervoorzieningen veel water ingelaten dat niet nodig is voor peilbeheer. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP2 2015-2021 | Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 | Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP1 2009-2015 | Onderzoeken maatregelen in en rondom de Ronde Hoep | Het gaat om het uitvoeren van zes deelonderzoeken:- Onderzoeken mogelijkheden voor toepassen flexibel peilbeheer- Onderzoeken mogelijkheden naar beperken inlaat hoogwatervoorzieningen- Onderzoeken mogelijkheden om bron inlaat te wijzigen- Onderzoeken mogelijkheden om Bennink te isoleren- Onderzoeken mogelijkheden van het graven van extra water in de agrarische peilvakken (west en oost)- Onderzoeken mogelijkheden naar het aanleggen van 6 hectare extra open water in het reservaat | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Stimuleren van verdiepen watergangen in polder de Ronde Hoep | Veel watergangen zijn ondiep en liggen vol met bagger. Door veenafbraak, wind en de afwezigheid van oever- en emersevegetatie en/of kreeft en karper eroderen percelen en is er veel baggeraanwas in de polder. Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Waterdiepte op maat. Inschatting is dat vrijwel het gehele ondiepe areaal op diepte kan worden gebracht. In de praktijk kan het zijn dat dit niet mogelijk is (door loopzand, instabiliteit oevers of opbarstingsrisico’s). Voordat de maatregel kan worden doorgevoerd moeten bronnen van baggeraanwas en de snelheid waarmee er opnieuw bagger ontstaat voldoende bekend zijn. Mogelijk moet ook erosie door vis worden verminderd. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP1 2009-2015 | Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 | Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Natuurvriendelijk onderhoud en baggeren van lijnvormige secundaire watergangen | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en de subsidieregelingen: bijvoorbeeld afrastering slootkanten, drinkbakken voor veedrenking, minder frequent maaien, beheerpakketten ‘baggerspuiten’ en ‘ecologisch slootschonen’ | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP3 2021-2027 | Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren | Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire watergangen: instrumenteel | De Keur laat gebiedsgericht minder frequent schonen toe; implementatie gebeurt in bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma’s onderhoud. Deze maatregel is voor meerdere waterlichamen relevant. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.
Dit waterlichaam is uitgebreid omdat de toestandsbepaling bij de voormalige begrenzing geen representatief beeld gaf van de ecologische kwaliteit. Er werd gerapporteerd over het minst representatieve gedeelte van de polder. Het belangrijkste argument voor de voorgestelde wijzigingen is vergroten van de transparantie: wanneer er over de toestand in de gehele polder wordt gerapporteerd zijn verbetering of achteruitgang beter te zien. De begrenzing van een geheel afvoergebied is de basis voor de herbegrenzing van dit KRW waterlichaam. Binnen het afvoergebied zijn soms deelgebieden (EAG`s) met ander watertype en/of zeer afwijkende drukken en toestand. Deze zijn niet of als apart waterlichaam begrensd binnen een afvoergebied.
In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.
Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.
Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.
Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.
Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.
Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.
GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.
EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.
KRW Kaderrichtlijn water
N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).
EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.
Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.
Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.
Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.
Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.
GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.
SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.
Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.